[1] - [2] - [3] - [4] - [5] - [6] - [7] - [8] - [9] - [10] - [11] - [12] - [13] - [14] - [15] - [16] - [17] - [18] - [19] - [20] - [21] - [22] - [23] - [24] - [25]
RUI
Een jongen, haar kotsteiltje,
een bed om samen op te zitten
wachten tot het onstilbare
vlammen begint
Een zin die hij zegt:
zoals zwart git kan zijn, zo wit is je huid
Een ruit, daardoor kijkt zij haar ogen leeg
dit komt eruit: een zak in een pak,
het smog van de stad, een blinde kat,
overal haren, afval, dat waait over het water
Het eerste wat zij zegt:
ik wil zien en bewaren wat je
spaarde toen je negen was
Hij ziet haar platen van Viktor en Rolf
streelt haar rug waar zijn hand lijkt te
wonen en wacht nog altijd op de vlammen.
© Laura Demelza Bosma
uit: Zo vliegen de walvissen, De Windroos, Holland, Haarlem, 2007