<<Terug

 

IN OKTOBER


Ik reed een dag het park in zonder weet.
Het werd al najaar en er rees geen wind.
De laan was overloofd; er stond een kind
achter de heesters in een kleurloos kleed,

en keek. – Alsof opeens de wereld gleed
keken wij beiden langs dat hellend grind:
hoe daar een jongen ging, matroos, met lint
wit op de kraag, kwiek aan de muts, en schreed…

neen, waarlijk schreed op zulke domme benen,
of hij, de boeg oplopende, zou menen:
pas op, nu gaan wij aanstonds over stag.

Toen viel het kind omver tussen de bomen;
ik wilde ’t helpen om weer op te komen,
maar ’t liep al verder, met een schaterlach.


Hein de Bruin

 

Uit: Het ingekimde land en andere gedichten, verzameld en ingeleid door Wim Hazeu,
Bosch & Keuning n.v., Baarn, 1976

 

Hein de Bruin (IJlst, 1899 – Amsterdam, 1947)
Kijk voor meer informatie www.google.nl